Wijn en warzones

Door mijn eerdere werk in de journalistiek voelde ik me geen onnozel groentje toen ik aan mijn stage begon. Nu, vier weken later, weet ik: ik weet nog helemaal niks. En ik kan nog minder.

Het is zo’n avond waarbij de tweede fles wijn zonder overleg wordt besteld, wetende dat de eerste naar meer smaakte. En met de wijn komen de verhalen. Zoals over de reis van Erik naar Haïti, vlak na de aardbeving. Hoewel RTL eigenlijk een ander had willen sturen, stond Erik erop dat hij zou gaan. “Ik kon er het snelste zijn.” Dus ging hij.

Het was bizar. Zo sta je tussen wolkenkrabbers, en zo baan je je een weg tussen de lijken in een ineengestorte sloppenwijk. Van a naar b komen is haast een onmogelijke opgave want brandstof is er niet. Net als drinkwater, dus de stank is misselijkmakend. Voor je het weet ben je ziek.

Maar het gevaarlijkste zijn de mensen, vertelt Erik. “Eerst willen ze hun verhaal wel kwijt, maar daarna realiseren ze zich: wacht eens, jij bent blank en rijk, jij hebt geld, jij hebt eten!” Dat vereist dus een strategie. “Heel snel de wijk in, en heel snel er weer uit.” Inderdaad, kom dan maar eens aankakken met je camera van duizenden euro’s voor een interviewtje met een moeder die op een hoopje stenen staat waar een dag eerder haar huis stond maar waar nu haar kinderen levend zijn begraven.  Bij terugkomst in het hotel, herinnert Erik, is een warme douche ineens iets van een andere planeet, zo fijn.

Daarna vertelt Irene wat zij heeft meegemaakt. Aardig wat, zo blijkt. Da’s niet zo gek: ze is in Israël geweest, in Afghanistan, en in de hele Arabische wereld sinds de opstanden daar uitbraken. Irene werkte voor televisie en radio, verloor collega’s in het Midden-Oosten en verslaat bij wijze van sabbatical nu de Amerikaanse verkiezingen. Ze is drie jaar ouder dan ik.

De verhalen die ze vertelt doen me duizelen. Libië, bijvoorbeeld. Midden in de opstand probeerde ze daar elke dag verslag uit te brengen aan de Nederlanders. Na een lange dag probeerde ze de slaap te vatten, maar dat ging niet omdat het letterlijk kogels regende. En dat was heel vervelend, legt Irene uit ‘want ik moest de volgende dag weer heel vroeg op’. Proestend herinnert ze hoe zij en haar collega’s op een gegeven moment schreeuwend de explosies vervloekten. “Zo van: hou verdomme eens op, ik probeer te slapen!!” Erik knikt begrijpend. “Ja, je moet de volgende dag toch scherp zijn.” Geen spoortje ironie.

Ik weet niet wat ik zeggen moet. De bommen slaan in, enkele tien meters van je vandaan, en het enige waar je aan denkt is de volgende ochtend, omdat je dan weer moet doen wat je vandaag ook al de hele dag deed: slalommend tussen de kogels door het nieuws verslaan.

Geen vragen, niet mekkeren, gáán. Journalist is voor hun niet gewoon een beroep, het is wie ze zijn.

Ik voel me een gigantisch zeikwijf – al mijn eigen onzekerheden zijn ineens futiel en aanstellerig. In stilte stel ik mezelf mijn vragen. Kan ik dat? Ben ik dat? En: wil ik dat?

Nog niet. Geen idee. En ja.

2 thoughts on “Wijn en warzones”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *