Nooit meer treinen

Over leerfabrieken, shag en hoe alles verandert.

Normaal houd ik wel van reizen met de trein. Beetje naar buiten kijken, muziekje erbij, eventueel een boek of krant. Helemaal prima. En ach kom, denk ik dan vaak voor vertrek, ik koop een kopje koffie bij de kiosk. Dan zoek ik een stiltecoupé op, claim een plekje bij het raam en zie het groengrijze landschap aan me voorbij trekken en waan me de koning van de trein.

Deze treinreis voelt echter als een dodenrit richting de guillotine. Dat komt niet in de laatste plaats omdat ik voor deze reis heb moeten betalen. Betálen!! Eenieder die mij een beetje kent weet dat geld en ik een afschuwelijk slechte match zijn. Als ik het heb is het in een week weer weg, en al wat rest is drie weken pizza van de euroshopper (drie voor €1,50) en bedelbrieven richting familie en vrienden. In een enkel geval heb ik ook weleens de trein gepakt richting mijn ouderlijk huis. Daar stond dan een dampend bord pompoensoep of lasagne te wachten. Dat kostte me geen cent; de treinreis werd gesponsord door de staat. (Waarvoor dank.)

Maar nu ik erkend langstudeerder ben is het over en uit. Voortaan dien ik te betalen voor mijn reizen met het openbaar vervoer. Er ligt een kortingskaart voor me in het verschiet maar dan moet ik eerst een bachelor halen, aldus de callcentermiep van DUO (wat niet waar schijnt te zijn, hoor ik net). En die bachelor, dat duurt nog even. Een economisch belezen vriend raadde me aan nu alvast te investeren in een kortingskaart, maar dat heb ik schaterlachend en resoluut van de hand gewezen. Betalen voor korting ruikt naar omkoping en omdat ik veel waarde hecht aan mijn onkreukbare reputatie laat ik me niet verleiden door financiële voordeeltjes. Bovendien: waar houdt het op?! Straks vertelt men me nog te betalen voor mijn diploma of voor vriendschap. Ergo: zo’n kaart is ridicuul en kolderiek, niets minder. Betalen voor kaarten is bullshit.

Toch is de oorzaak dat ik me nu op zit te vreten in de trein niet gelegen in het feit dat het me geld kost. Wortel van al het leed is vandaag de bestemming van de reis: mijn opleiding. Daar heb ik sinds het begin van de zomer van vorig jaar geen stap meer binnen gezet en dat beviel uitstekend. Het is dus met zwaar gemoed dat ik de trein uitstap en me richting de leerfabriek sjouw; maar niet voor ik heb geconcludeerd dat mijn fiets niet meer op het plekje in de fietsenstalling staat waar ik hem zo’n zes maanden geleden achterliet. Weg met alles en iedereen.

En dan word ik plotsklaps gewezen op het aller- allergrootste nadeel van het OV. De mensen. Want nu rest me niets anders dan aan te sluiten in de lange stroom aan mensen die, al shag rokende en pratende over futiliteiten als het amateurvoetbal en hun onbeduidende kerstvakanties, van het trein- en busstation richting de opleiding gaan. Ze praten over dingen die me niet interesseren. Ze hebben raar haar. En sommigen hebben rolkoffertjes bij zich. En nee, ik voel me niet beter dan zij, heus niet. Maar ik kan niet wachten tot ik weer ergens een fiets heb geregeld zodat ik deze martelgang niet meer hoef te ondergaan. Weg met alles en iedereen.

Aangekomen regel ik zo snel mogelijk waarvoor ik gekomen ben: een nieuwe collegekaart. Mijn oude ligt ergens in New York, in een taxi naast mijn credit card, waar ik al rollebollend de halve inhoud van mijn portemonnee op de grond liet vallen. (Ik was die avond één brok klasse; dat spreekt.)

Een niet onvriendelijke man met bril, baard en snor staat me te woord. “Een nieuwe kaart? Geen probleem hoor,” zegt hij met een glimlach. “En welkom terug!” Hmpf.

Als ik weg wil lopen houdt hij me staande. “Da’s dan vijf euro, alsjeblieft.”

Laat maar zitten. Ik volg wel een LOI-cursus. Thuis.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *