New Yorkse kappers: een ooggetuigenverslag

Van hipsterbarbier tot oriëntaalse kappersketen – ik probeerde ze allemaal.

Voor iemand die al jaren hetzelfde kapsel heeft, besteed ik tamelijk veel aandacht aan de selectie van mijn kapper. Als rechtgeaarde teringmillennial gaat het mij om de ervaring en niet zozeer om het eindresultaat. Eisen aan die ervaring: een kapper moet gezellig zijn, je moet er slap kunnen ouwehoeren en geen cent teveel betalen.

Nu ben ik altijd gezegend geweest met mijn kappers. In Groningen was het kapper Rob, een flamboyante homo en de enige kapper die ik ken die altijd een pet droeg. In zijn salon, S.H.A.M.P.O.O., hing een gigantisch schilderij van hemzelf met een python om zijn nek, en hij vertrouwde me ooit toe dat hij, als hij niet meer zou coifferen, een carrière in de pornografische videoindustrie niet uitsluit.

In Amsterdam maakte ik eens in de drie weken een fietstocht van twintig minuten, van mijn Indische Buurt naar de Overtoom, voor een bezoek aan kapsalon Gerard. Gerard zelf was al jaren dood en sindsdien werd de zaak bestierd door een drietal plat Amsterdamse dames met welluidende namen als Sharon (sja-RON) en Corina. Die namen hingen in het goud om hun nek en ondanks mijn categorische maar beleefde weigering bleven ze me dubieuze automatenkoffie aanbieden. Ze waren verenigd in het afzeiken van de baas, een dame uit Almere die de kapsters systematisch onderbetaalde.

Maar een typisch New Yorkse knipbeurt voor een prikkie blijkt moeilijk te vinden. Eerst belandde ik bij een veel te hippe toko waar uitsluitend bebaarde mannen werkten en ingewikkelde hiphop uit de speakers klonk. Daarna werd ik geknipt door Rudy, de baas van een herenkapper in Chelsea waar de kappers in een Centraal Aziatisch taaltje elkaars familie zwartmaakten.

Maar met mijn verhuizing naar Harlem doemt een dilemma op. Aldaar bedienen alle kappers een uitsluitend zwarte clientèle. Het is een gezellige chaos maar als expatproduct dat de buurt komt gentrificeren voel ik me toch ietwat weggekeken.

Zo eindig ik bij toeval in een nieuwe kapperszaak, in het metrostation bij mijn werk. Het concept is Japans, net als de kappers. Een knappe jongen knipt mijn haar zonder weinig te zeggen en aan het einde gaat hij met een stofzuigerslang die uit het plafond bungelt door mijn haar, om het te drogen en om haren op te zuigen. Twintig minuten later (en evenzoveel dollars lichter) sta ik buiten. Superefficiënt dus – eigenlijk kan het nauwelijks New Yorkser.

En zo versleet ik in één jaar een hipsterbarbier, een Oezbeekse familiezaak en een Japans kappersimperium dat voet aan de grond wil krijgen in New York. Een wereldstad in een notendop.

2 thoughts on “New Yorkse kappers: een ooggetuigenverslag”

  1. Aj, ik wissel tussen de Ghanese buurtkapper en de Chinese kapsalon op de zeedijk.

    Misschien moet ik mijn horizon ook eens verleggen?
    Ach, nee daar ben ik al te kaal voor.

    Vrolijke groet,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *