“Mijn zoon homo? Zijn vriend komt er niet in.”

Over flikkers en moslims.

“Hier rechts,” zegt Mehmet. Dat is waar ook: het laatste half uur op donderdag rijdt het zoontje van mijn rij-instructeur met ons mee. Dan overlappen de werktijden van hem en zijn vrouw met een half uurtje, en dus rijd ik dan met een poepschattige dreumes op de achterbank door Amsterdam-West. Meestal speelt hij op de iPhone van zijn vader en heb ik geen kind aan hem, maar de gedachte dat ik – zonder rijbewijs – word toevertrouwd met zoiets kostbaars als het leven van een peuter, maakt altijd dat ik extra nerveus ben.

BONK. Ik ga net op tijd vol in de ankers als voor ons dieseltje een adembenemend mooie vrouw het zebrapad oversteekt. Mehmet, hoewel keurig getrouwd, doet geen moeite zijn goedkeuring te verbergen en fluit zachtjes tussen zijn tanden. “Wat een vrouw.”
Ikzelf ben ook flink afgeleid. “Lang niet gek.”
“Houd jij je ogen nou maar op de weg, ouwe.” Dan werpt hij een schuine blik mijn kant op. “Ik dacht trouwens dat jij niet naar de meisjes keek..?”
“Eh…” Het is geen geheim dat ik een vriendje heb en tegelijk ook de dames nog steeds interessant vind, maar ik weet niet hoe mijn rij-instructeur – Turks, moslim – daar tegenover staat. “Het is een ingewikkeld verhaal, eerlijk gezegd. Maar ik kijk graag naar mooie vrouwen, hoor. “
Mehmet buldert van het lachen. “Lompe Hollander! Pak wat je pakken kan, of niet, smeerlap!”

Aangemoedigd door zijn opmerkelijke steunbetuiging durf ik het aan om eens door te vragen. “Hoe sta jij tegenover homoseksualiteit, eigenlijk?”
“Eh…” Nu is het zijn beurt om voorzichtig te formuleren. “In de Turkse gemeenschap ligt dat… ingewikkeld.”
“Ja?”
“Ja. Ik ken er zat hoor, die homo zijn. Maar Turken praten, weet je. Als mijn zoontje homo zou zijn, dan zou daar over geluld worden, je hebt geen idee man.”
“En wat zou jij doen? Als hij homo zou zijn?”
“Jezus man…” Hij kijkt achterom, waar Ömer inmiddels in slaap is gevallen. “Ik… Ik ken er zat. Dat is het niet. Ik heb niets tegen homo’s, veel vrienden van mij zijn homo. Mijn manager van de tent waar ik uitsmijter was – een nicht als een kathedraal, je wilt het niet weten. Maar lachen jongen, altijd gein. Maakt me niks uit. Dat is oké, weet je.”
“Dat is geen antwoord op mijn vraag, Mehmet.”
Geïrriteerd kijkt hij nog eens opzij. “Journalist, zeker? Rattenkop.” Ik glim van trots.
Mehmet zucht. “Ik zou het accepteren, maar verder wil ik er niets van weten.”
“Wat bedoel je?”
“Kijk. Homo’s heb je overal. En dat mijn zoon het toevallig is – tsja, kan gebeuren. Het is mijn zoon, ik houd van hem en dat is het enige wat telt.”
“Wat mooi, Mehmet.”
“Maar ik hoef zijn vriend niet te zien.”
“…Wat?!”
“Wil ik niet in huis hebben. Dat kan echt niet door de beugel, snap je.”

Eerlijk gezegd snap ik daar helemaal niets van. Maar ach. Waarschijnlijk is Mehmet binnen zijn vriendenkring al tamelijk progressief. En de meeste Nederlanders stonden tot niet zo heel lang geleden ook niet te juichen bij het idee van een homoseksuele zoon of dochter.

BONK! Mehmet trapt vol op de rem. Een blonde vrouw van begin dertig met een kleutertje in het kinderzitje fietst, zonder op te kijken van haar smartphone, voor ons langs.
“Was jouw schuld niet,” murmelt hij nijdig en hij draait zijn raampje open. “ROTWIJF!” Raampje weer dicht.
Rustig rijd ik verder. “Fuck. Als ze niet oppast, wordt ze nog aangereden ook.”
“Ik hoop het voor d’r. Met dat kind erbij.”
“Wat?!”
“Ja, als het kind maar niet te veel pijn heeft. Gewoon een beetje. Om die moeder te laten schrikken.”
“Man, wat als het jouw kind zou zijn?!”
BONK!
Verbaasd kijk ik hem aan. “Maar ik had groen!”
“Als het mijn kind zou zijn,” zegt Mehmet akelig rustig, “dan zou ik die lul uit zijn auto sleuren en zijn kop verbouwen.”

De complexiteit van de mediterraanse vadergevoelens gaan deze lompe Hollander compleet de pet te boven.

One thought on ““Mijn zoon homo? Zijn vriend komt er niet in.””

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *