Liefde voor de superintendent

Zo: voor het eerst een eigen huisje, een kleine studio in Chelsea. Een bijzondere plek met bijzondere buren. Maar het vreemdste is de conciërge.

Wat nou moeilijk: in één dag zoeken heb ik een huis in New York voor ten minste de komende twaalf maanden, een kleine studio in Chelsea aan de westkant van Manhattan. Het ligt eigenlijk net iets boven Chelsea, waar de chique winkels plaatsmaken voor een MacDonald’s die 24 uur per dag open is, een half dozijn wasserettes en een seksshop. An sich geen onpraktische buren om te hebben.

Nadelen zijn er ook. De huur is om te huilen zo hoog en dan heb ik het nog niet eens over het geldbedrag dat afgetikt moest worden vóór ik het studiootje kon betrekken. De borg is twee maanden huur, daar bovenop komt nog de eerste maand, plus de makelaarskosten. Als ik op het kantoor van de huisjesmelker met een pesthumeur het bedrag aftik, vraag ik hem of hij nog tips heeft voor een nieuweling in New York. De makelaar, een warrige man met een voorliefde voor schipperstruien, had er eigenlijk maar één: “Wordt vrienden met je superintendent.”

Een superintendent, kortweg super, is een conciërge die zorg draagt voor de fysieke welgesteldheid van het gebouw. Ook springen ze bij op dagen dat huurders een huishoudelijk klusje hebben. Op een goede dag is dat het ophangen van je gordijnen; op een slechte dag is dat het ontstoppen van je overstroomde wc. Omdat mijn wasbak op de eerste dag al spontaan volstroomt met het afvoerwater van de afwasmachine van de buren, is een dergelijk schrikscenario in mijn complex geen onrealistische gebeurtenis. Het leek me dan ook een puik idee om de tip van de makelaar ter harte te nemen.

Nu had ik voorafgaand aan het betrekken van mijn complex een beeld in gedachten van een super dat gestoeld was op de twee conciërges die op bij mij op het VWO rondliepen. Dat waren broertjes Freek en Danny, stoere kerels, één met snor en één met stoppelbaard en hoogstwaarschijnlijk in de weekenden sterren op het veld van een plaatselijk FC’tje. Een eerste telefoontje met mijn super – zware stem, ondefinieerbaar accent uit Oost-Europa – laat die gedachte nog goeddeels in tact.

De zware stem blijkt echter te horen bij een vrouw. Een vrouwtje, beter gezegd – ze meet niet meer dan één meter vijftig. Even denk ik dat er sprake is van een persoonsverwisseling, maar als ze zich voorstelt – ‘Fatma’ – herken ik de stem als een houtrasp van het telefoongesprek. Ik vermoed dat ze ontbijt met een fles Jameson en een pakje half zwaar, al heb ik dat tot op heden nog niet feitelijk hard kunnen maken. “I tell you room,” rochelt Fatma en ongevraagd pakt ze mijn hand en leidt me rond door het huisje. Het is een plek met een gebruiksaanwijzing: in de inbouwkasten mag maar één bepaald soort gloeilamp gebruikt worden en het keukenkastje rechts mag niet geopend worden als de vaatwasser draait. “Door will break.” Ah.

Fatma blijkt een vrouw die je dus helemaal niets meer hoeft te vertellen, die heeft alles al een keer gezien. Als de overburen, twee studentes, een muis in het appartement zeggen te hebben, loopt Fatma met een bezem naar binnen en komt vijf minuten later met twee dode muizen met de staarten in haar hand weer naar buiten, terwijl de meisjes gilletjes slaken vanaf de bank. Ze recyclet al het vuilnis zelf: iedere week gaat Fatma door de afvalzakken van het hele complex om papier bij papier, glas bij glas en overig bij overig te sorteren. Smerig? Fatma geeft geen krimp en poetst na afloop de containers nog even met een sopje.

Net als Freek zijn broer Danny had, heeft ook Fatma een sidekick: echtgenoot Karl. Van hem ben ik beduidend minder onder de indruk. Karl heeft lang vettig haar dat in slierten vanonder zijn lederen cowboyhoed loopt, een spijkerjasje met gaten en een jeans met hetzelfde probleem. Waar Fatma van daden houdt, is Karl meer van het kijken en een stukje duiding. Toen hij werd ingeschakeld mijn badkamergootsteenoverstroming op te lossen, heeft hij eerst twee volle minuten naar de situatie staan kijken, onbewogen terwijl hij met één hand in zijn nek wrijft. “Is no good, heh,” wist hij tenslotte uit te brengen. Gelukkig was Fatma op dat moment al in aantocht, die het probleem met de gootsteen alsmede met mijn lekkende douchekop in een klein kwartier had verholpen.

Halverwege haar klus wilde ik, mijn makelaar indachtig, nog even goede sier te maken met een kop thee, maar toen ik dat aanbood keek ze me aan met een mix van walging en medelijden. “Is for the weak, we not weak” zegt Fatma. “Good one,” lacht Karl instemmend, en ze wisselen een innige blik. Het runnen van een gebouw blijkt het New Yorkse equivalent van het opbouwen van een IKEA-kast: als je dát samen overleeft, kan je alles aan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *