In het veld

Als stagiair ben ik meestal gebonden aan mijn kantoor en blijf ik op Manhattan terwijl de anderen het nieuws verslaan. Maar heel af en toe mag ik mee.

Ik sta kou te vatten, denk ik terwijl ik mijn handen warm sla. Het is maandagochtend, en cameraman Freek en ik wachten op Erik, die zo met de huurauto voor komt rijden. We hebben de opnameapparatuur, de TomTom en het statief; we zijn er helemaal klaar voor. “Weet je zeker dat je meegaat?” vraagt Erik terwijl hij de achterbak openmaakt. “Je bent net ziek geweest; kan je niet beter je achterstand op de productie inhalen?” Ammehoela, denk ik: de kans om een keertje mee te gaan draaien laat ik me niet afnemen.

En dus rijden we even later naar Noord-Philadelphia. Niet lang nadat we snelweg afrijden, zien we bevestigd wat het huiswerk van Irene al liet zien in de callsheet: hier wil je niet wonen. Vervallen huizen. Lijnen voor een tram die niet rijdt. Mensen, overwegend zwarten, zonder geld, tanden en baan.

En dan ineens: een heel rij huizen in vrolijke kleuren. En niet standaard babyblauw of zuurstokroze – nee, met mondriaanse precisie zijn de dichtgespijkerde ramen voorzien van een waterafstotende verf, wel twee dozijn verschillende kleuren. “Met hulp van de buurt,” vertelt de Nederlandse initiatiefnemer Dre Urhahn. Te midden van de troosteloosheid heeft hij zo’n driehonderd meter van Germantown Avenue geschilderd. Dat trucje flikte hij al eerder in Brazilië en aanvragen voor andere steden stromen binnen.

Dre is een leuke spreker en heeft als bonus ook nog interviews geregeld met een stel andere betrokkenen. Dat was niet zo moeilijk, want ook al is hij the whitest kid alive, na wat hij voor de buurt heeft gedaan is hij ieders beste vriend. Iedereen stopt voor een praatje, een box of een dollar – want vrolijke kleurtjes of niet, de buurt blijft straatarm.

Leuke sprekers zijn één ding, maar er moet ook iets gebeuren. En wat is nu logischer dan een paar mensen die een kwast vasthouden en een muur schilderen..? Het probleem is alleen dat het ontzettend mistig is en op een kletsnatte muur is het moeilijk schilderen. Dre wil het dan ook liever niet hebben – het zal de verf verprutsen, is hij bang. Maar ja, met alleen pratende hoofden heb je geen spannend item. Op een straathoek vinden we gelukkig een dichtgespijkerd raam dat nog enigszins droog is gebleven, en één van de deelnemers van het project wil best even schilderen. Hebben we toch nog ons actieshot.

Dat blijft een groot verschil tussen mezelf en de anderen: terwijl ik met open mond om me heen kijk om al dat ongelofelijks in me op te nemen (de haveloze buurt met die vrolijke mensen, die roomblanke vent die koning is van de pikzwarte buurt, maar vooral de treurigheid, de eindeloos diepe treurigheid van de rest van de wijk) spieden Erik en Freek om zich heen. Wat kunnen we filmen? Wie zou het goed doen op camera? En ook: hoe krijgen we Dre zo ver dat er toch iets geschilderd kan worden?

Iets na drieën staat alles erop. Volgende halte voor vandaag: Hopewell, New Jersey. Hier interviewen we een dame van mijn leeftijd die na haar studententijd terug moest naar haar ouderlijk huis. Het riante leenstelsel in Nederland kennen ze in Amerika niet, en ze staat voor zeventigduizend dollar in het rood – niet bij de overheid, maar bij particuliere banken. Die willen geld zien. De honderden dollars die ze per maand moet aflossen zorgen dat ze geeneens de huur kan betalen. En dus zit er niets anders op.

Het meisje is charmant, en haar verhaal relevant (meer twintigers leven bij hun ouders dan ooit te voren) maar terwijl we voor vijftig dollar aan broodjes en zoetigheid naar binnen werken voor we terugrijden naar Manhattan, bedenk ik wrang wat de bewoners van Germantown hadden kunnen doen met dat geld. Ook al hebben we maar vijftig kilometer gereden van Philly naar Hopewell, de kloof tussen het verrotte Germantown en het poepchique Hopewell had niet groter kunnen zijn.

Donderdag mag ik weer mee draaien, dit keer voor een verhaal waar ik zelf een groot aandeel in heb gehad: over een HIV-test die je bij de drogisterij kan kopen. Ik heb een interview geregeld met een dokter en met een jongen die via de test uitvond dat hij seropositief was. Als bonus mag ik dit keer ook de interviews doen. Het gaat niet slecht maar wat is het moeilijk en wat moet je je kop er bijhouden! Die avond spreken we ook nog een tweede dame voor het na-de-studie-weer-naar-de-ouders-verhaal, en mijn tweede draaidag zit erop.

En zo sukkelt de redactie vandaag het weekend in. Totdat Erik voor de tv’s staat en het geluid van vier televisies harder zet. “Ze hebben het over twintig doden!” Niet veel later ren ik naar de broodjeszaak om lunch voor de anderen te halen; Erik, Irene en Freek staan dan al op het dak voor een live-verbinding met Hilversum. De basisschool van de schietpartij ligt in Connecticut, praktisch om de hoek. En dus regelt Erik snel een huurauto en maakt de redactie zich op voor de autorit.

Met het camerastatief over de schouder loop ik mee naar de auto. Maar helaas: “Nou, succes vandaag, als er iets is dan bel je hé?!” En weg zijn ze. Oh ja. De stagiair past op het kantoor. Na twee tripjes in het veld zou je het bijna vergeten. Maar na zo’n spannende week als deze kan ik er totaal niet mee zitten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *