Gezond nationalisme

Wat te doen als Nederland niet speelt? En hoe leg je een Amerikaan uit dat het verlies van Duitsland in de Hollandse delta het lekkerste smaakt?

Nationalisme is een kinderziekte: de mazelen van de mensheid. Dat schijnt Albert Einstein ooit gezegd te hebben. Nu heb ik Albert best hoog zitten maar tijdens het WK en andere sporttoernooien negeer ik hem liever. Vooral als Nederland speelt. Want echt, het maakt me geen ruk uit of het voetbal is of curling of dammen, als Oranje erbij is sta ik op de banken te schreeuwen met de rood-wit-blauwe schmink op mijn gezicht. En over de tegenpartij, of het nu Albanië of Zweden is, worden historische geschillen opgezocht, uit hun verband gerukt en honderden malen uitvergroot. Soms moet je wel even zoeken: “Vergeet niet dat Zweden ons in 1668 in de steek en stiekem uit de Trippel Alliantie stapte! Daardoor kon Lodewijk de Veertiende van Frankrijk ons in het rampjaar binnenvallen!!” En dan zweren dat je nooit meer iets bij de IKEA koopt.

Maar ja, je moet wat als Nederland zich niet kwalificeert. Ik sympathiseer met België maar een vanzelfsprekende titelfavoriet diende zich voor mij niet aan, totdat ik tijdens een weekend aan het strand twee Kroaten tegenkwam. Zij nodigde me uit voor de kwartfinale tegen Rusland, en hup, de Kroatisch-Nederlandse alliantie is geboren. En nu sta ik in een zaaltje naast een Kroatische kerk in Manhattan heel hard “Hrvatska! Hrvatska!” te schreeuwen. Ik had er weliswaar twee bier voor nodig, maar na een kwartiertje sta ik te krijsen alsof Oranje speelt.

De laatste penalty

Het worden penalty’s, en Kroatië wint. De rood-wit-blauwe vlag met het roodgeblokte schild vliegt door de lucht. Ik pak snel mijn biezen en ga naar huis. Nu is het hun feestje.

Er waren ook andere blije momenten dit WK: de uitschakeling van Duitsland was een hoogtepuntje. Mike, de Zuid-Koreaanse uitbater van de lokale wasserette met wie ik trouw de wedstrijden bespreek, trakteerde me daags nadat zijn team de Duitsers versloeg, bij binnenkomst op een dikke grijns en een high five. Een soort verbroederend omgekeerd nationalisme.

Amerikaans vriendje Drew snapt er maar weinig van. “Jullie zijn toch buren van Duitsland? Is dat een Tweede Wereldoorlog-ding?” Geduldig leg ik hem het trauma van ’74 uit, dat in de halve finale van het EK ’88 dan wel deels werd verholpen, maar nog steeds voortleeft in de Hollandse psyche.
Het duizelt Drew. “En daarom ben je nu voor Kroatië? Maar je was toch voor België?” En dan moet ik schoorvoetend uitleggen dat ik België alles gun en misschien zelfs de wereldtitel – maar niet voordat wij die zelf hebben veroverd. De nuances van voetbalnationalisme ontgaan mijn lievelingsyank volledig.

Ik kijk er bloedserieus bij, maar het is natuurlijk allemaal poppenkast en gekkigheid. Toch verbaas ik me elk toernooi weer hoe weinig ik nodig heb om elke vorm van rationeel denken overboord te gooien ten faveure van elf gasten die ik niet ken maar die zogenaamd onze eer hooghouden. Ergens best eng. Hoe dun is de lijn tussen hartstochtelijk juichen en het dulce et decorum est pro patria mori? Draai ik mezelf een rad voor de ogen?

Dit WK houd ik mezelf liever op een andere manier voor de gek: als ik door mijn wimpers kijk, zie ik dat hele Kroatische wapen op die rood-wit-blauwe vlag niet. Zijn we toch weer finalist. Hrvatska! Hrvatska!

One thought on “Gezond nationalisme”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *