Fietsen door de jungle

Steek een Amerikaan in een uniform en het wordt een klootzak; zet hem op een fiets en het wordt een totale idioot.

“Succes!” Eise geeft me een laatste knuffel, neemt grijnzend een foto als we wegrijden en zwaait tot we de hoek om zijn. Dat was het dan – nu is het echt ‘mijn’ baan.

Ik en cameraman Pieter rijden in een verhuiswagen met achterin een inboedel die Eise aan mij voor een schijntje heeft verkocht. Hij heeft veel van die spullen van zijn voorganger Irene gekocht, die het weer van háár voorganger overnam. Een traditie die ik wel romantisch vind, al was ik over de levenscycli van sommige spullen liever in het ongewisse gebleven. Bijvoorbeeld het bed, dat een producer van een half decennium terug op een Facebook-foto als het zijne herkende. Ach, wat zou het – ik heb goedkoop een halve huisraad en de verhuizing is in een paar uur afgerond.

Naast onder meer dat bed, een doos met kerstspullen, twee barkrukken en vier licht-erotische tijdschriften, erfde ik van Eise ook een fiets. Geen klassieke omafiets zoals ik die in Nederland altijd uitkoos, maar een zwaar mountainbike-achtig model, waarop je licht gebogen op je stuur leunt. Hij is wat gehavend en fietsen met losse handen gaat nog niet soepel, maar het is een ijzersterk ding en het is lekker om de trip naar de redactie eens in de buitenlucht af te leggen in plaats van ondergronds.

Nu is fietsen niet goed voor mijn tolerantieniveau. Al ben ik op een zonnige lentemiddag in mei in opperbest humeur op weg naar een festival; als mijn route door de binnenstad van Amsterdam leidt gaan er tenminste twee stonede Spanjaarden tegen de vlakte. (Ja wat? Kijk uit als je oversteekt!) In Amsterdam kan dat; in Amsterdam staat de fietser soeverein bovenaan de verkeerspiramide. Kwantiteit is ook een kwaliteit.

In New York ligt dat net even anders. Niet alleen zijn fietsers zwaar in de minderheid; ze moeten het ook doen met een stuk minder fietspaden, al komen er steeds meer. Straten en avenues die al voorzien zijn van fietsstroken, zijn vaak eenrichtingsverkeer – waar niemand zich aan houdt, overigens. En de New Yorkse automobilist, vooral de taxichauffeur, heeft geen ontzag voor de fietser of voor de regel ‘rechtdoor op dezelfde weg gaat voor’. Ik moet vaak vol op de rem als een Uber-lul zijn wagen botweg voor de fietsers gooit. Mijn fietscredo, ‘liever assertiever’ (ook wel ‘voorrang krijg je niet, voorrang néém je’), heb ik inmiddels bijgesteld naar ‘goed uitkijken is belangrijk’.

Het grootste probleem zijn echter de fietsers zelf; die zijn namelijk voornamelijk Amerikaans. En echt, steek een Amerikaan in een uniform en het wordt een klootzak*; zet hem op een fiets en het wordt een klapgeep. Niemand geeft richting aan, iemand rechts inhalen is volledig accepté, lichten hebben de meesten niet en als ze het wél hebben zijn het vaak flikkerlichten of olijke lampjes die een smiley-projectie op de straat schijnen. De ergsten zijn de jongens die besteld eten rondbrengen, of de forenzen op de blauwe Citi-bikes. Die vind je om de zoveel blokken en kan je, voor 163 dollar per jaar, onbeperkt gebruiken – mits je de fiets binnen 45 minuten weer inlevert. Daarom hebben ze haast en kijken ze niet uit. Een sympathiek systeem met onsympathieke gebruikers.

Toch is fietsen hier te gek. In Nederland kwam ik op een spannende dag een bierfiets tegen; hier rijd ik dagelijks langs een vliegdekschip en een onderzeeër – en oh ja, ik heb constant zicht op de skyline van Manhattan. En als de stad de hemel verlicht, maken twee of drie fietslampjes minder helemaal niks uit.

*: Voor de argumentatie aangaande het uniform-standpunt verwijs ik u graag door naar de bewakers van het Amerikaanse consulaat te Amsterdam en de douanemedewerkers op JFK airport.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *