Dood aan uitzendbureaus

Ik moet een baan. Maakt niet uit wat. Nou ja, maakt natuurlijk wél uit – mijn sollicitatiebrief naar een regionale krant is al verstuurd – maar ik realiseer me dat ik helaas niet al te kieskeurig kan zijn. Mijn zoektocht begon vandaag.

Hoezo werken?!, denk ik terwijl ik door een asgrauwe stationsstraat fiets. Ik ben net terug van stage –  ik heb me net drie-en-een-halve maand uit de naad gewerkt! Ik parkeer mijn fiets in de straat met de uitzendbureaus, en merk dat ik direct kalmeer. Drie weken lang lauw op de bank hangen is ook geen manier is om de tijd door te komen, weet ik. En natuurlijk wil ik ook liever mijn geld op leukere manieren verdienen dan in een fabriek, maar gezien krappe tijdspanne heb ik weinig opties.

Bureau één. Een twintiger in een blauw gestreept overhemd (pasvorm: C&A) slaat me gade terwijl ik richting zijn bureau loop. Nu weet ik dat ik in geen positie ben om anderen te veroordelen op basis van hun uiterlijk – dat is niemand, namelijk – maar een snelle observatie leert me dat ik deze man niet mag. Zijn postuur is lomp en groot en verraadt een opvoeding ver buiten de stadsgrenzen. Het probleem van een wijkende haarlijn heeft hij op willen lossen door de resterende slierten strak naar voren te gellen. Als hij opstaat om me een hand te geven hangt zijn mond een beetje open en kijkt hij me amper aan. “Hallo. Michiel,” zeg ik. Hij knikt alleen maar. Ik hoop dat hij Patrick heet.

“Wat is je opleiding?” vraagt Patrick.
“VWO.”
Patrick gnuift en schrijft het op. ”Vee-wee-ooooooh,” herhaalt hij in een semi-Goois accent. “En verder?”
“Ik heb een propedeuse in de Internationale Betrekkingen, en ben nu in mijn laatste jaar van mijn bachelor Journalistiek.”
Buiten mijn zicht, achter zijn hand doet Patrick iets met zijn pen; ik vermoed dat hij een kruis door mijn naam zet.
“Goed, dit is wat we gaan doen,” zegt Patrick en ik wil hem in het gezicht slaan, “ik geef je mijn kaartje, en verder heb ik ook jouw nummer dus we houden nog wel contact.”
Ik schenk Patrick mijn allervriendelijkste glimlach en neem het kaartje in ontvangst. “Nou,  bedankt,” en ik kijk de omhooggevallene recht in de ogen, “en dan spreken we elkaar nog wel. Tot ziens!”
“Prima, ajo.”
Buiten kijk ik op zijn kaartje. Wesley. Ook goed.

Bureau twee. In een etalage knipoogt een opblaasgiraffe me toe. Die staat naast een opblaaspalmboom, met aan diens voet een opblaaskrokodil. Er brandt geen licht en de deurklink mist. Het bordje geopend hangt voor de deur. Dat is niet waar. Ik kan met geen mogelijkheid naar binnen. “WIJ ZOEKEN JOU!!” tutoyeert desondanks een reeks A4’tjes me toe. Dat is óók al niet waar, ik kan met redelijke zekerheid zeggen dat deze zaak niets of niemand meer zoekt, behalve wellicht geld om de boel te redden. Maar omdat ik ook geld zoek voel ik toch een zeker verwantschap. Ik werp een laatste blik op de treurig ingezakte opblaasinboedel, knik plechtig en vervolg mijn weg.

Bureau drie. “Heeeey,” zegt een donker meisje met een hip kapsel zodra ik één voet binnenzet. “Jij zoekt werk?” Nee kut, ik zoek paaseieren. Ik pers een glimlach tevoorschijn. “Ja.”
Ze knikt begrijpend terug. “’s Niet zo makkelijk, hé. Maar gaan we je he-le-maal mee helpen hoor, komt gewoon goed,” en ze wijst me een zitzak terwijl ze me bemoedigend op de schouder klopt. Schiet me in het gezicht. Nu.
Ik krijg thee. Het meisje gaat tegenover me zitten en pakt een iPad van het lage tafeltje tussen ons in. “Zo, gaan we d’r effe lekker voor zitten.” Haat aan al het uitzendbureaupersoneel.
“Heb je technische ervaring?”
“Eh, nou…” begin ik. Ik zou nog geen band kunnen plakken zonder eerst op YouTube de tutorial te kijken. “Techniek is niet mijn sterkste punt,” besluit ik te zeggen.
“Okee,” zegt het meisje vrolijk. “Is helemaal niet erg,” en ze tikt wat commando’s in. “En catering of productiewerk dan, heb je daar ervaring mee?”
“Ja!” zeg ik en ik veer op. Direct heb ik spijt. Twee weken lang in de Gazelle fabriek zeker. Dank je feestelijk.
“Nou, dikke kans dat we daar morgen wat van binnenkrijgen!” Ze straalt, ze straalt en ze meent het.
Ik krijg het niet over mijn hart om iets cynisch te zeggen. “Wat fijn,” zeg ik.
Ze knikt en lacht haar witte tanden bloot. Haar haar danst vrolijk mee met haar bewegingen. “Ik heb je nummer, Michiel, dus ik bel je morgen, okee?”
“Prima,” en onhandig werk ik me uit de zitzak. “Tot ziens dan!”
“Is goeeeeed, doe-doeiii!”

Dus morgen heb ik waarschijnlijk een baan. Al is het in de fietsfabriek, het moet maar. Of op de catering van een nieuwjaarsreceptie. Alles best. Maar als het de borrel van een uitzendbureau is dan vergiftig ik de champagne.

 

2 thoughts on “Dood aan uitzendbureaus”

  1. Haai michiel nog heel gelukkig nieuwjaar.. Mooi verhaal weer en hopelijk heb je al werk. Ook maar hopen dat de uitzendbureaus geen google hebben en jouw gaan zoeken.

    Succes gr Koos

  2. Uitzendbureau’s zijn niets meer dan ordinaire legale mensenhandelaren.
    Ik blijf me vebazen hoe mensen zich welwillend laten misbruiken door de elite, overheden en bedrijven.
    Het volk heeft géén idee hoeveel macht ze eigelijk heeft, zonder geweld kan dit hele elite systeem binnen één jaar op zijn gat liggen.
    Mensen zijn mensen GEEN producten!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *