Dit Soort Feesten

Zijn er toelatingscriteria voor festivals? Over dancemuziek, feestjes en groepsgevoel.

Halverwege de set van de Franse DJ spot ik mijn collega Machiel – hip haar, sympathiek gezicht en beduidend luchtiger gekleed dan in zijn hoedanigheid als techneut op de redactie – in het publiek. Verrast gezicht, brede grijns, “Gááááást!” “Dúúúúúde!”

Lachend vallen we elkaar om de hals. “Kerel, wat mooi dat jij hier bent!” We nemen snel de lijst met namen van andere collega’s door die we ook al hebben gezien op het festival. Die-en-die stond te beuken in de technotent, weer een ander lag met hipsterbril en –vrienden te chillen in het gras. “Hey, maar ik zie je maandag weer, ik ga weer verder.” We slaan de handen nog eens in elkaar bij wijze van afscheid. “Maar gaaf man, ik wist helemaal niet dat jij ook van dit soort feesten hield!”

Ik hoor die term ‘dit soort feesten’ wel vaker. Stiekem moet ik daar altijd om gniffelen. Alsof ik lid ben van een soort broederschap wat elkaar in het geniep treft op open plekken in het bos, om zich daar over te geven aan verdovende middelen en geluiden uit onbekende landen. Waar je alleen maar bij mag zijn als je een erkend aanheidscertificaat hebt. ‘Dit soort feesten’, alsof niet een groot deel van mijn generatie zich te buiten gaat op feesten met dancemuziek, maar slechts een uitverkoren fractie, die elkaar allemaal kennen van vorige edities van Mattenklopper of Berenkind of Stoepverzachter. ‘Dit Soort Feesten’, DSF – het OSM van een generatie.

Vaker nog hoor ik dat mensen verrast zijn mij te zien op dergelijke festivals. Ja, ik ga ook wel eens naar ‘feestjes’. Ik weet mijn eerste nog goed, ik was net twee maanden in Groningen en keek mijn ogen uit in de Simplon. Uit de boxen klonk een muziek waar ik echt geen soep van kon maken, er hing een uitbundige, amicale sfeer en ik vroeg me af waar die twee ouderejaars, die ik kende van de kroeg en pal naast de boxen zwaar bezweet stonden te dansen, toch de energie vandaan haalden.

Nog steeds – vijf jaar en vele feesten later – geniet ik zeer van festivals: de muziek, de vrolijkheid van de bezoekers, het vakantiegevoel-voor-een-dag. Toch, nog altijd, voelt het als een wereld die niet de mijne is, alsof ik op bezoek ben. De dj’s zeggen me weinig en de paar die ik van naam ken, ken ik dankzij één of twee plaatjes die ik van vrienden kreeg doorgestuurd.

Het is een beetje als een bruine buurtkroeg. Daar ga ik ook graag heen. Dan zit ik vanachter een vaasje de gasten te bekijken, de posters aan de muur, het haar van barvrouw Anja. En dan kan ik het misschien schitterend hebben met mijn vrienden aan onze tafel, maar het is als noorderlingen die carnaval vieren in Breda: écht erbij horen zullen we nooit.

Dat staat mijn eigen geluk op zo’n festival niet in de weg. Ik lach, geniet, dans met iedereen mee maar vooral word ik blij van het kijken. Hoe anderen opgaan in de muziek, voor even door de wolken van het alledaagse heen breken en lachen met hun vrienden. Hoe zou het zijn bij hen te horen?, denk ik soms. Om bij ze te horen en ook rond te lopen met een air alsof ze de dj kennen en de organisator vorige keer nog hoogstpersoonlijk hebben beloofd ook op zijn volgende feestje aanwezig te zullen zijn. Hoe zou het zijn om je wél thuis te voelen op Dit Soort Feesten?

Waar haal je zo’n aanheidscertificaat eigenlijk?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *