De metrodaklozen

“God is watching,” zei een dakloze meneer met een vriendelijke glimlach als ik zeg dat ik geen lunch voor hem ga kopen. Ik moet wel weigeren – het aantal thuislozen dat mijn geld wil in deze stad is te veel voor een journalistensalaris.

Met afstand een favoriet moment van de dag: de metrorit van werk naar huis. Ik swipe mijn maandkaart bij de poortjes en ren naar de trein, meestal is er wel een zitplekje te scoren en dan zoef ik onder de stad door, terug naar Washington Heights. Soms met een podcast in de oren maar meestal toch met een boekje op mijn gloednieuwe e-reader. Knus, en vooral goedkoop: ik kreeg het ding als afscheidscadeau van mijn RTL Z-collega’s en toen mijn moeder daar lucht van kreeg, stouwde ze het apparaat direct vol met Mulisch, Zwagermans, Ross en een heel leger Scandinavische crimi-schrijvers. En ik houd van lezen, al doe ik het te weinig. Ik zou werk moeten maken van het vinden van een boekenclub. Ach, komt nog wel.

Ik ben net halverwege de artistieke en fysieke aftakeling van Walter van Raamsdonk in Gimmick! als een houtrasp van een stem mij afleidt.
“Excuse me ladies and gentlemen, if I could have a moment of your time, please…”
Gaan we weer. Het is in twee weken vaker al zo vaak voorgekomen dat het moeilijk is er niet afgestompt van te raken. Een man (soms een vrouw, maar meestal een man) in lompen, soms iets te zwaar maar vaker graatmager, soms met een bord met uitleg, dan weer met troep die ze willen verkopen. In een seconde of twintig vertellen ze hun levensverhaal, soms eufemistisch (“I’ve had some bad luck in the past”), soms hilarisch eerlijk (“Yeah I smoked crack and yeah I know I look the part, thank you”). Je ziet de metrodaklozen vooral in de middag- en avondtreinen, nooit ’s ochtends want dan is het te druk. En ze hebben geld nodig, voor hun kinderen, voor een overnachting, voor overleven.

Interessant om te zien hoe iedereen op zijn eigen manier de man negeert. Ik ook: de eerste dagen deed ik mijn koptelefoon af en luisterde ik naar het verhaal, om aan het eind hem of haar recht in de ogen te kijken en zachtjes nee te schudden. Inmiddels zeg ik geen boe of bah meer en lees ik stoïcijns door. Vanuit mijn ooghoeken bekijk ik mijn medereizigers. Twee chic in het zwart geklede meisjes – of meer dametjes al, niet per se knap maar wel goed verzorgd, met handtasjes die passen bij hun rok – breken abrupt hun gesprek af en staren naar hun telefoon. D66-meisjes zijn het, Hillary-meisjes, waarschijnlijk onderweg van werk (Verenigde Naties? een prestigieus advocatenkantoor?) naar huis (zonder enige twijfel de Upper West Side).

De trein mindert vaart. “Thank you,” zegt de man terwijl hij een dollarbriefje aanneemt van een reiziger vlakbij de deuren. Als hij uitstapt voel ik de hele wagon herademen.
“So, yeah-h-h-h,” zegt het ene dametje en ze bergt haar telefoon op.
“Anyway,” zegt het andere, en het gesprek hervat zich.

Ik klap mijn reader dicht en denk aan Groningen, waar ik de twee daklozen van de stad groette en straatkrantverkopers bij hun voornaam kende. En ook in Amsterdam zag ik maar weinig daklozen, al moeten er vast een aardig aantal van zijn in zo’n grote stad. Maar in New York zie ik er minstens acht keer zo veel. Vroeger gaf ik nog wel eens wat geld, nu doe ik dat eigenlijk nooit meer. Want waar trek je de grens? Als iemand echt oprecht heel zielig lijkt? Als iemand meer dan drie kinderen heeft (of beweert te hebben)? Als ik iemand geloof?

Een Russische vriendin trekt de grens niet. Anna trok in de Moskouse ondergrondse standaard haar portemonnee uit haar handtas met blokpatroon en gaf gul aan iedereen die het vroeg. “Goed voor mijn karma,” zei ze daarover, zonder een spoortje ironie. Was het daarom dat we daar altijd nét op tijd de metro wisten te halen?

“This is us,” zegt dametje nummer één en ze stappen uit, klakkende hakjes op de trap naar boven. 72nd street, zie je wel.
Ikzelf blijf nog een paar haltes zitten. Ik heb een leven dat goed is, zonder enige twijfel. Geef ik genoeg terug, help ik anderen voldoende? Ik betaal belasting, dus ik doe al meer dan een gemiddelde multinational. Maar ik heb nooit een waterput geslagen of collectes gedaan voor het Reumafonds dus dat zijn misschien wel weer minpunten. Zonder een antwoord op mijn vraag loop ik de trein uit.

Bij de poortjes staat een jongen van mijn leeftijd.
“Anyone with an unlimited card who can swipe me in?”
Hier jongen, ga je trein halen. O wee als ik morgen de mijne mis.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *